SOLO ACTUEEL

AfwasActualiteiten

Posted by Von Solo Thu, March 07, 2019 11:55

Blog image

Vorige week donderdag liep ik langs de pantry bij ons op kantoor. Er stond een ongewassen mok op het aanrecht. Naast de kraan lag een afwasborstel en stond een flacon afwasmiddel. Aan het handvat van de koelkastdeur hing een theedoek. Vrijdag stond er een beker bij. Maandag was het assortiment aangevuld met twee glazen en een koffiebeker. In de glazen stonden twee lepels. Het keukenblok met koffieautomaat en wasbak staat midden op een afdeling, waar dagelijks gemiddeld dertig collega’s hun dag doorbrengen. Dinsdagavond liep ik om kwart over zes nog over de afdeling. Deze is dan meestal geheel of ten minste bijna leeg. In een donker separeer kantoortje zat nog een medewerkster te buffelen. Op de open afdeling zat nog één communicatie medewerkster te typen. De afwas had zich intussen opgestapeld.

Ik bleef staan om de stapel te bekijken, twijfelend. Zou ik deze afwas doen, of me omdraaien en naar huis gaan. Naar huis gaan was een aanlokkelijk vooruitzicht. Afwassen zou wel heel dol zijn. Andermans vaat doen in mijn eigen tijd. Oké, ik hang daar wekelijks een schone theedoek op, om het gebruik van mokken te bevorderen, maar zelf afwassen? Niemand anders doet het, dus waarom zou ik het wel doen? Ik heb wel wat beters te doen. Het idee kwam me vreemd voor en dat gaf dan ook de doorslag. Ik draaide de kraan open en spoot wat afwasmiddel in het water terwijl, ik de mokken in het wasbekken begon te leggen. Stiekem hoopte ik dat iemand me zou komen helpen, want het voelde raar.

Terwijl ik, na de eerste ‘schaamte’ voorbij te zijn, uiteindelijk op het gemakje in een nagenoeg leeg kantoor de vaat stond te doen, dacht ik aan alle dingen, waar ik de tijd niet voor neem. En dat dan in het licht van deze schijnbaar nutteloze actie. De conclusie was, dat onverschilligheid gevoed wordt door onverschilligheid. En dat sluipt, vermomd als achteloosheid of onschuld. Die ene mok nodigt een tweede mok uit. Een moment van onverschilligheid worden er twee en twee worden er vier en zo maar door. Tot het moment dat de kritieke massa is bereikt en de macht van de onverschilligheid verheven wordt tot norm. En degene die afwast de vreemdeling is geworden. Dat was waarom het, toen ik eraan begon zo raar voelde.

Maar er is nog iets dat veel gevaarlijker is. De macht en meetbaarheid van het belang. Wat is het belang van het afwassen van een mok afgemeten tegen pakweg het belang van ‘op tijd’ in de file staan? Of dat wat maakt dat een mens zich te verheven voelt en iets kleins als het wassen van een mok als te min of futiel bestempeld. Zo kun je dieren en andere mensen ook als van minder belang bestempelen. Zo kun je ecosystemen lager waarderen ten opzichte van economische systemen. Zo blijft in het einde enkel nog het hoogste belang over om te dienen. En je voelt je dom en raar als je je met iets bezighoudt, dat van geen of minder belang is.

Maar laat mij u vertellen. Niets is triviaal. Het is hoogstens de mate waarin we collectief onverschillig zijn, die zaken hun waarde of belang ontneemt.

Dresden aan de DonauActualiteiten

Posted by Von Solo Thu, March 07, 2019 11:39

Het had ook een andere stad kunnen zijn, maar dat was het niet. De Elbe stroomde er in dit geval doorheen. En daaraan lag een camping. Daar stopte de bus. Het was geen dure reis geweest, want geld hadden we niet. Zij studeerde en ik deed ook zoiets. We hadden samen geboekt, omdat we na twee jaar ook weleens een keer samen op vakantie wilden. We wilden nogal wat.

In de bus naar Dresden zaten leuke gezellige jongeren van onze leeftijd. Mijn aandacht werd meteen getrokken door een meisje met een korte, strakke spijkerbroek en volle lippen. En dat zag ze zelf ook. Maar ongeschreven onvolwassen regels schrijven voor wat misplaatst is. En onuitgesproken woorden handhaven de stilte. En de stilte werd almaar dieper, hoe donkerder het werd. Laat op de avond kwam de bus aan op de camping langs de rivier. Eenieder betrok zijn tent. Mijn vriendin en ik deden dat ook. Er werd die avond niet geneukt. Zeer tot mijn ongenoegen.

Enige avonden later waren we met het hele gezelschap aan de zuip in wat voor het oude centrum door moest gaan. Met zijn allen rond een grote tafel. Het meisje met de volle lippen had een strak leren broekje aan en kantelde openlijk haar bekken voor me, keer op keer. En ik keek toe. Gebiologeerd door de simpliciteit van de menselijke fysiek en geilheid. En toen was er ruzie. Mijn vriendin vond het te onbeschaamd voor woorden hoe ik dat meisje in haar kruis zat te staren. Het meisje zweeg. Ik werd boos omdat we nog steeds niet geneukt hadden op vakantie en gebruikte dat als verweer voor mijn onbeschaamdheid. Die avond eindigde in de tent met over en weer gejank, zoals jonge mensen dat zo goed kunnen.

De ochtend bracht stilte. En in die verraderlijke veiligheid van een brakke ochtend in het gras onder de bomen vertelde ik mijn vriendin dat zij niet de enige was. Hoe het gebrek aan fysieke intimiteit me in de armen van een ander gedreven had. ‘En hoe dan verder?’ ‘Gewoon maar verder’, was mijn antwoord. Op die leeftijd gaat dat allemaal wel. Dat denk je tenminste. Toen ik twee maanden later onverwacht bij mijn vriendin thuis op de bank zat en ze zoenend met een ander de voordeur binnenrolde, wist ik ineens wel beter.

Een paar maanden daarvoor fietste ik door het schemerduister voorbij het Utrechtse Griftpark, Niet eerder had ik me zo vrij gevoeld. Het was een stroom van verscheidene gevoelens, waarbij gedachten onvolwassen waren. Het was als de eerste gitaarklanken van ‘One of us’. Ik kwam bij een lieve jonge vrouw vandaan. En was erg arm en onbezorgd toen.

Als de oorlog komt, zijn er bombardementen die niets heel laten. Vuurstormen maken steden met de grond gelijk. Zowel medemensen als redenen als de namen van de generaals worden brokstukken vergetelheid. En toch verrijzen ze om onduidelijke redenen toch altijd weer uit hun as. Herwinnen oude glorie en pretenderen sterker door strijd en wijzer door verlies. De oude mensen zullen zich de geur van stad herinneren zoals ze ooit was. Zij die daar net te jong voor zijn, zullen voor altijd met één been in de herinnering staan en met het ander in twijfel.



Vanavond live...Actualiteiten

Posted by Von Solo Thu, January 31, 2019 15:15

Blog image

BurgerActualiteiten

Posted by Von Solo Thu, January 31, 2019 15:13

Blog image

Ze heeft mooie, grote, rechte voortanden. Volle lippen. Haar ogen zijn gesloten en haar wimpers zijn voorzien van mascara. Niet te veel. Heel subtiel wat oogschaduw. Haar huid is voorzien van een bijna onzichtbare laag foundation. Ze steekt haar tong zo ver uit als mogelijk. Om haar mondhoeken speelt een wellustige lach. Ze likt een aan sappige cheeseburger. Op een muurprint aan de zijkant van een nieuw te openen restaurant. Haar hoofd is bijna een meter groot.

‘Ontwerp me een poster die dit nieuwe hamburgerrestaurant verkoopt!’ Dat stond ik de email die de reclameman via de mail ontving bij wijze van offerteaanvraag. De reclameman dacht na. De dag ervoor had hij een pornofilm gezien. Hij had ook zo graag bevredigd willen worden. Maar verder dan masturberen met zichzelf was het tijdens de film niet gekomen. Triest was het verlangen, maar hevig. Alles had hij ervoor over gehad, als zich geile lippen om zijn lid hadden gesloten. Maar het leven was geen pornofilm. Hij nam nog een hap van zijn broodje en kreeg een idee.

‘Maak een foto van een representatief, girl-next-door model die een hamburger benaderd of ze er fellatio mee bedrijft’ Dat stond in de opdrachtmail aan de fotograaf die wel vaker klusjes deed voor het reclamebureau. Het geld was goed en de opdracht niet wezenlijk vreemder of anders dan hij gewend was. Hij dacht aan zijn vriendin. Dat ze nooit voldeed aan de beelden die hij schoot. Dat zij nooit deed wat hij op de gevoelige plaat vastlegde. De waarheid die hij maakte was niet zijn eigen.

Ze kwam op tijd aan, elf uur scherp. Geen bijzondere kleding vereist. Casual representatief. Een reclameshoot voor een hamburgerrestaurant. Ze rook de geur van gebakken rundvlees. Er werden foto’s gemaakt van een getinte man in een hoody. Haar ‘tegenspeler’ op de poster. Hij had een hamburger in zijn handen en staarde daar verlekkerd naar. De grimeuse wenkte haar en zette haar in de plamuur. Toen ze klaar was, riep de fotograaf haar op de set. De burger die haar tegenspeler zojuist in zijn handen had gehad stond klaar op een schaaltje.

‘Doe of je de ballen van je vriend likt. Of je zijn pik likt van schacht tot eikel.’ Even was ze beduusd. Ze moest zich iets voorstellen wat ze nooit deed. Ze had zelfs geen vriend en wilde ook helemaal geen geslachtsdelen likken. Maar ze probeerde het op een manier, die ze dacht dat wel fotogeniek zou zijn. Het was werk en het betaalde goed genoeg. Ze sloot haar ogen alsof er ballen en een piemel in de lucht hingen stak ze haar tong zo ver mogelijk uit en likte de leegte. ‘Perfect!’, zie de fotograaf ‘En pak nu de burger en doe dat nog een keer.’ Ze proefde het verlepte blaadje sla en hoorde camera klikken. Voelde zich dom, zo dom, dat ze bijna moest lachen. ‘En zo sta ik straks, larger than life, in de kijker op de Kop van Zuid. Ik pijp een burger.’

Niets is ooit wat het is. Voor niemand die eraan meedoet. Onder de streep wed ik dat de burgers ook niet veel zullen zijn. Maar dat zal ik nooit weten, want ik ga er niet eten.



Vuil spelActualiteiten

Posted by Von Solo Tue, January 22, 2019 22:27

Het was halftwee in de nacht. Door het schemerduister wankelde ik van de slaapkamer naar de badkamer. Op mijn blote voeten op de koude tegels stond ik voor de wc. Water klaterde in de bak. Ik keek naar opzij naar buiten in de nacht. De gebouwtjes in de tuinen waren gedompeld in een onaards koud, blauw licht. Het was stil. In de belendende panden was geen enkel licht aan. Aan de wolkeloze hemel stond een gigantische maan. Dreigend. In stilte glipte ik terug in bed. En droomde. In de vroege ochtend werd ik met een stuiptrekking wakker. Voor de wekker. Het was nog steeds donker. Maar niet meer zoals een paar uur daarvoor. Soms komt er iemand in je leven. Na de eerste woorden, de eerste blik, weet je dat deze persoon niet te vertrouwen is. Maar je wil dat dat anders is. Je vertelt deze persoon alles. Je stelt je open. Want je hoopt dat je gevoel niet klopt. Je hoopt dat alles nooit zo erg kan zijn, als je je voorstelt. En deze persoon zwijgt. Rustig voedend op je gedachten en gevoelens. In alle kalmte de offers verorberend als een wrede vergeten godheid. Pas met gespleten tong worden spaarzaam woorden gesproken. Altijd op momenten dat de tijd niets toelaat. Op valrepen en als de trein al wegrijdt. Maar jij hebt je geloften. Jij bent schatplichtig. Deze woekeraar doet niet aan advocaten. Maar jij wil enkel slapen. Als de nacht bijna ten einde is, kleed je je aan. In zwart. Alles nauwsluitend. Het laat geen ruimte. Kent geen reflectie. Want je weet ondanks het ontbreken van de zon hoe laat het is. Je rent. Geen mens op straat. Geen leven en geen geluid. Tot de eerste tram langs rommelt en je de afslag neemt het bos in. Waar de vogels nog slapen en de geesten van vroeger stierven voor de belangen van de nieuwe mens. Het pad knarst onder je voeten en de koude wind striemt je gezicht. Niets of niemand kan wat doen aan de cycli van de maan. De maan is een koude dode steen. Maar als de duivel wakker is, wordt het kwaad slapen. Er zit dan niets anders op. Slijp je mes en steek het bij. Blijf wakker en wees bereid. ‘Bolje rat nego pakt, bolje grob nego rob’ (Servisch gezegde)

De HelActualiteiten

Posted by Von Solo Thu, January 03, 2019 11:48

Blog image
Vorige week fietste ik over het fietspad langs de Gordelweg. In de verte zag ik een man in tegenovergestelde richting over het trottoir lopen met een aantal hondjes. Naarmate ik dichterbij kwam, kon ik zien dat het een lange man betrof. Kort stekeltjeshaar. Peper en zout kleurig. Een zwarte sportjas met grijze en blauwe accenten. Een donkere spijkerbroek. Eén van de hondjes was een foxterriër. De andere een onduidelijk bastaardje van schoothond formaat. De hondjes liepen in het gras naast het voetpad en dwongen de man ook in het gras te gaan lopen. De riempjes waren net te kort. En zo stond de man daar terwijl ik hem passeerde met mijn fiets. Het bastaardhondje bukte zich om zich te ontlasten. Ik zag het beeld compleet. En keek de man aan.

De harde ogen van de man flitsten even naar het hondje en toen weer naar de mijn. In zijn ogen las ik ongenoegen en boosheid. Het vormloze varkens lederen bankstel in de huiskamer. Een grote tv uit de koopjes kelder van de Correct met toch bedroevende beeldkwaliteit en al die kutprogramma’s. Een Opel Astra 1.9 diesel uit 1992. Een vrouw waar geen personal trainer meer wat aan kan verhelpen. Omdat het niet alleen aan de buitenkant eraan zit. Het ondergaan van de zon, terwijl het te bewolkt is om hem goed te kunnen zien. Altijd dezelfde racistische grapjes op het werk, waar die Turkse metselaar ook gewoon bij is. Hassan kan er zelf ook wel om lachen, toch? En nooit de postcode kanjer. Nooit.

Terwijl ik mijn blik afwendde zag ik hem in mijn ooghoek het hondje nog een schop geven. Hij riep me na: ‘Als je met je arrogante kop maar niet denkt dat ik die schijt ook nog voor je ga opruimen’. Ik keek niet om en wist dat hij het niet tegen mij had. Hij zag enkel een blanke middenklasser die tevreden op zijn fiets richting zijn gezin onderweg was voor het avondeten. Erasmus zei het al: ‘De meeste mensen zijn andere mensen’. Sartre zei het ook, maar maakte ervan: ‘De hel, dat zijn de anderen’.



HandschoenActualiteiten

Posted by Von Solo Thu, January 03, 2019 11:46

Blog image

Onderweg van kantoor A naar kantoor B fietste ik, na het Centraal gepasseerd te zijn, over Kruisplein. Ik werd ingehaald door een vrouw met een grijze knot op een fiets met zadeltassen. Ze fietste over een hobbeltje in de weg. Uit een van de fietstassen viel een handschoen. Ik zag hem vallen. Landen op de straat. En riep: ‘Mevrouw, u verliest een handschoen.’ Stoïcijns fietste de vrouw door. Ze keek niet eens om. Een moment dacht ik om te draaien en de handschoen op te halen en haar achterna te fietsen. Maar toen die gedachtegang ten einde kwam, was ik al weer zestig meter verder.

Ik zag dat ze stopte bij de kruising met de Kruiskade. Inhalen zou kunnen als ik hard fietste. Maar wat zou ik dan te zeggen hebben? ‘Mevrouw, u bent tweehonderd meter terug uw handschoen verloren.’ Zou het ze iets kunnen schelen? Zou ze de moeite nemen om terug te fietsen om hem op te halen? In mijn schuur liggen twee volle vuilniszaken met uitgewassen handschoenen. De oogst van één winterseizoen handschoenen oprapen op mijn dagelijkse fietstochten. Ik voelde een moedeloze onverschilligheid die zich meester van me wilde maken.

De kruising met de Kruiskade overstekend zag ik honderd meter voor me dat de vrouw stopte en haar fiets op de stoep zetten. De zette het rijwiel op slot en ging een pand binnen. Toen ik er voorbijfietste, zag ik dat dat het Goethe Instituut was. De vrouw was dus waarschijnlijk Duits en had niet verstaan of gehoord wat ik riep, toen ze haar handschoen verloor. Nog vijftig meter twijfelde ik, voordat ik alsnog de teugels wendde. Ik fietste terug naar Kruisplein en vond daar op dezelfde plek als ik hem had zien vallen de handschoen. Ik pakte hem op.

Het plan was om de handschoen in de fietstas van de vrouw te stoppen. Zo zou ze hem weer terug hebben. Toen ik echter aankwam bij het Goethe Instituut was ik er niet meer zeker van welke fiets het was. Iedereen lijkt tegenwoordig wel fietstassen te hebben. Dus belde ik aan en stapte, nadat een jonge vrouw de deur open had gedaan de drempel over. Ik legde uit dat ik een handschoen had gevonden van een vrouw met grijs haar en een knotje, die hier zojuist vijf minuten eerder was binnengegaan. Een zwaar Duits accent antwoordde das das ein Kollegen gewesen sein moeste en nam de handschoen in ontvangst. Ik wenste haar een goede dag en liep de deur uit. Toen ik me omdraaide zag ik de vrouw met het knotje haar hoofd om een hoekje steken binnen en met een brede lach zwaaien. Dat voelde goed.

Ik stapte op mijn fiets en dacht verbaasd over de weinige praktische moeite die het had gekost iemand blij te maken. En hoe onevenredig veel innerlijke discussie me dat had gekost. Trappend om op snelheid te komen scheen er flets licht door de ontbladerde bomen langs de Westersingel en stelde zich de volgende vraag: ‘Stel je voor dat je te horen krijgt dat je nog een dag te leven hebt. Wat ga je dan doen? Pak je dan de eerste handschoen op die je ziet liggen? Of ga je filosoferen over een probleem waar je de oplossing nooit meer van zult vinden.’





Dunne draadActualiteiten

Posted by Von Solo Mon, December 10, 2018 21:13

Blog image

Het was een zaterdagavond in de herfst van 1989. In konvooi reden we naar de stad, waar we uit zouden gaan. Het fietspad langs het spoor was schaars verlicht en goeddeels kaarsrecht. Op twee bochten na. Eén halverwege, daar stond een boom waar het fietspad omheen moest en één aan het begin. Daar zat een vertakking in het pad. We reden de route zo vaak, dat we het blind ook zouden kunnen. Maar ik reed die avond niet. Mijn brommer was stuk. Ik zat achterop de Yamaha DT van mijn beste vriend. Die was een stuk groter dan ik. We reden op kop. We kwamen de eerste bocht na de vertakking en de gashendels werden opengegooid voor de sprint naar de tweede bocht.

Na vijftig meter voelde ik mijn vriend tegen me aan vallen. Ineens accelereerde de wereld omgekeerd. De brommer werd onder ons vandaan getrokken door een onzichtbare hand. Met een smak kwam ik op het asfalt terecht. Alles te snel om na te denken. Al schuivend zag ik de lichten achter ons uitwijken en alles tot stilstand komen. Ik krabbelde overeind en zag dat mijn vriend dat ook deed. Op wat schrik, kleerscheuren en schaafwonden na, mankeerden we niets op het eerste gezicht. Na een minuut was de oorzaak van onze val gevonden. Iemand had een losse ijzerdraad van een hekwerk dat langs het spoor stond, over het fietspad gespannen op een hoogte van pakweg één meter vijftig. Deze had mijn vriend op de borst gepakt en zodoende van de brommer gesleurd, met mij erbij. Als ik dus voorop had gezeten, was ik onthoofd geweest. Tien jongens in hun tienerjaren keken elkaar aan en zochten naar woorden.

Toen merkte iemand op dat hij een jongen uit Hansweert van het fietspad af richting het station had zien lopen, terwijl wij in tegengestelde richting passeerden. De beslissing was snel gemaakt en vierklauwens reden zes brommers met tien opgefokte jongens richting het station Kapelle-Biezelinge, alwaar we de genoemde jongen aantroffen en bij de kladden grepen. Ik zie nog de angst in zijn ogen. Het besef van een wandaad. De kwaadheid en de tirade die hem ten deel viel. Zijn smekende bekentenis. En de conclusie dat de werkelijke daders, zijn vrienden, doorgelopen waren het pad op richting Goes. Verder werd hem niets aangedaan. De daders werden die avond niet meer gevonden. Dat zou de politie later oplossen. Wat schadevergoeding en een lullig taafstrafje.

De daders is het toentertijd vergeven geweest. Er is nooit iemand meer voor neergestoken geweest, nooit iemand afgetuigd of neergeschoten. Bloedwraak was niet nodig. Bier kregen we wel bij gelegenheid. En vriendschap zoals zich zo makkelijk tussen jonge mensen vormt als iets ze bindt. Mijn beste vriend zag ik steeds minder. Hij had natuurlijk ook een vriendinnetje en was altijd het serieuze type geweest. Veel volwassener dan wij. Pas jaren later hoorde ik van hem dat hij een tijdlang zeer aangeslagen was geweest, door dat incident. Op die leeftijd kon ik me daar niets bij voorstellen. Dood konden we toen toch nog niet. Maar sommige mensen zien sommige dingen vroeger dan anderen.